Boezembeheer. De weerverwachtingen worden door satellieten en kennis steeds beter. Dit betekent dat de voorspellingen betrouwbaarder worden. Het boezembeheer moet worden ingesteld op tiendaagse weersverwachtingen. Op grond van een voorspellingsmodel moeten de lozingen op het Lauwersmeer en Waddenzee geschieden. Doorvoer via gemalen Ropta en Dongeradielen moet worden verbeterd. Onderzocht moet worden of afvoer via tweede afvoermeer in de buurt van Harlingen of Makkum mogelijk is Het boezembeheer moet meer natuurlijk worden ingvuld. Dat betekent dat het hoger kan zijn wanneer het mogelijk is, en lager wanneer het nodig is. Dorpen moeten waar dat wenselijk en mogelijk is weer via opvaarten bereikbaar zijn. Fryslân moet geschikt gemaakt worden voor de vaarrecreatie. De boezemcapaciteit bepaalt uiteindelijk het malen vanuit de polders. Door op afstand de poldergemalen via telemetrie te bedienen kan er een evenwichtiger verhouding komen tussen polder- en boezempeilen. Een polder moet in een week weer het normale peil krijgen. Dan kan er meer afgestroomd naar zee worden en worden de extra investeringen in gemalen overbodig. Als boeren door diepteontwatering sneller willen afstromen in plaats van te bergen in de polders dan dient het wetterskip een heffing in te stellen om de eigen verantwoordelijkheid door de aanvrager te laten dragen. Die de vruchten van de aanvraag en verandering plukken mogen de lasten niet afwentelen op de gemeenschap Uitgangspunt bij vaarten is dat een gemeentelijke vaart minimaal 12 meter en de provincie minimaal 18 meter breed moet zijn. Vaarten naar dorpen moeten bruggen hebben die minimaal 2,50 meter doorvaarthoogte hebben. Goede vaarwegen en hoge bruggen zorgen voor waterberging, afstroming en mogelijkheid voor voldoende recreatief gebruik in zomer en winter.